Bij het ontwikkelen van een nieuwe huisstijl hadden we een non profit klant – die veel op internationale VN-conferenties opereerde – geadviseerd om de gemeen harde jaren 60-kleuren oranjerood en felgroen te houden. Omdat deze zich duidelijk onderscheidden van de brave donkerblauwe, donkerblauwe en soms zwarte letterlogo’s die de visitekaartjes van de andere ngo’s domineerden. ‘Als je je kaartje daar geeft, dan vergeten ze je nooit meer’. Opvallen en eruit springen was het advies.
De week daarna vertelden we een ander verhaal: ‘Stel je bent een groot staalconcern en je logo is uiterst fragiel en bovendien in het lichtroze, ook dan val je waanzinnig op… maar je bent waarschijnlijk wel de risee van de branche. Niemand neemt je meer serieus, je moet je dus wel conformeren, bepaalde stereotypen hanteren, want anders herkent niemand waar je bedrijf voor staat of erger en sla je de plank mis.’
‘Ja maar de vorige week zei je exact het omgekeerde’ klonk het haast getergd. Iets dat zeker klopte. ‘Ik kan je vanaf nu elke week een ander ogenschijnlijk tegenstrijdig verhaal vertellen… het gaat erom dat we samen dit avontuur aangaan, elkaar uitdagen, prikkelen, confronteren om díé keuzes te maken, waar jouw organisatie het meeste aan heeft.
Want jij weet alles van jouw organisatie en branche en minder van de mijne en vice versa.